Preek 3de Zondag van Pasen, 18 april 2010, OBRECHTKERK
door pater Gregory Brenninkmeijer S.J.
Beste mensen,
We vieren al de derde zondag van Pasen. Het begint alweer te wennen. En toch lijkt het mij alsof de Halleluja’s niet echt willen klinken, alsof het vreugdevolle wit en goud niet echt wil stralen. Alsof de blijde boodschap van Pasen niet echt aanstekelijk werkt. Ik voel me sterk verwant met de leerlingen, wier wereld in elkaar is gestort. Ik herken me in die zeven uit het evangelie van vandaag, Petrus, Tomas, Nathanaël, Johannes en Jacobus en die andere twee leerlingen. Ze hebben de Heer al een paar keer ontmoet sinds die eerste dag van de week, maar de wonden van de totale ineenstorting van hun droom willen nog niet helen. Dat lege gevoel, dat de energie uit hen wegvreet, dat hen naar elkaar toe drijft en de deuren doet sluiten uit angst. Ik herken het wel, en u wellicht ook.
Als je dag na dag opnieuw geconfronteerd wordt met onthullingen over seksueel misbruik door priesters of religieuzen, die je kerk vertegenwoordigen, die je hoog achtte en vertrouwde, en die je vertrouwen blijkbaar zo hebben beschaamd. Als de kritiek alsmaar aanzwelt tegen je kerk, of je orde, tegen de hiërarchie en het hele instituut waar je deel van uitmaakt en waar je tot op de dag van vandaag trouw aan bent gebleven. Dat knaagt aan je en laat je niet los. Dat ontneemt je veel vreugde en brengt je alles behalve in halleluja-stemming. Een gevoel van schaamte daar deel van uit te maken doet je hopen dat mensen er niet over beginnen tegen je. Het vreet emotionele energie en geeft mij zo’n leeg gevoel. Hoe moeten we nu verder?
Petrus zegt: ‘Ik ga vissen!’ en de anderen, blij dat iemand het initiatief neemt, stemmen in: ‘Dan gaan wij met je mee!’ Wat doen is altijd beter dan stommetje spelen en ze hebben onderling al genoeg gezucht en geklaagd. Ze proberen over te gaan tot de orde van de dag. Doen wat ze vroeger altijd deden. Doen waar ze goed in zijn. Maar die opflakkering van enthousiasme dooft al snel uit: “Ze gingen op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets.” Ze kunnen niet doen alsof er niets gebeurd is. Ze kunnen niet terug naar hun oude ambacht. Daar zit hun hart niet meer. Ze zijn drie jaar met Jezus opgetrokken. Er is geen terug. Het oude bevredigt niet meer. Ze vingen die nacht niets.
Volgens mij is dat onze situatie ten voeten uit. We kunnen niet gewoon doorgaan alsof er niets gebeurd is. Er is ontzettend veel gebeurd. Als we zo hier of daar een enkel geval van seksueel misbruik hadden ontdekt dan was dat verschrikkelijk, maar aan te pakken. Maar nu er zovele blijken te zijn en verspreid over heel de eerste wereld, en nu de kerkleiding zo duidelijk blijk geeft daar niet mee te kunnen omgaan. Nu het duidelijk is dat we de schuld niet meer kunnen afwentelen op de media, of op de boze wereld, of op de secularisatie of op wat voor schuldebok dan ook, nu is het helder, we kunnen er niet omheen: er is iets fundamenteel fout!
We vangen trouwens al een lange nacht niets meer. Onze kerken zijn leeggelopen en onze theologische opleidingen ook. De uitstraling van onze leiders en hun boodschap is verschraald en als mensen naar ons opzien en ons vragen: ‘Vrienden, hebben jullie soms wat vis?’ dan moeten we ‘nee’ verkopen. We hebben al geruime tijd een hoop woorden, maar nauwelijks iets wezenlijks te melden, of het moest soms zijn dat u het wezenlijk vindt welk liedje we zondags in de liturgie wel of niet mogen zingen.
“Toen beval hij hun: Werp het net uit, rechts van de boot, daar zult ge iets vangen. Nadat ze dat gedaan hadden waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen.”
Gooi het over een andere boeg! wordt ons toegeroepen. Je moet veranderen. Het oude regime ie doodgelopen; dat vangt niets meer. De leerlingen gaven gehoor aan die figuur, die als beste stuurman aan de wal stond en die ze geen van allen kenden. Gaan wij nu gehoor geven aan de profeten die ons al lang toeroepen dat we met onze kerk op een foute koers liggen?
Dat de extreme centralisatie vanuit de Romeinse Curie onvruchtbaar is. Dat de bisschopsbenoemingen ideologisch worden gedaan en niet vanuit herderlijke zorg. Dat de leer over de seksualiteit krampachtig vasthoudt aan principes die Gods volk onderweg al lang achter zich heeft gelaten. Dat leken, en met name vrouwen, als gelijkwaardige partners in alle gremia en ambten van onze kerk vertegenwoordigd zouden moeten zijn. Kortom, dat de tijd van het clericalisme voorgoed voorbij moet zijn om te kunnen groeien naar een nieuwe cultuur van leven volgens het evangelie in plaats van leven volgens achterhaalde, halsstarrig gekoesterde wetten en regels die de gevestigde orde, hoe onvruchtbaar ook, in stand moeten houden.
Pas toen de leerlingen de vangst binnen haalden, zo groot dat hun netten welhaast scheurden, zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: ‘Het is de Heer!’ Dat wist hij niet toen de oproep klonk om het net rechts uit te werpen. Ze moesten eerst erkennen dat hun situatie vastgelopen was, onvruchtbaar. “Vrienden hebben jullie wat vis? Neen!” Pas dan kunnen ze ingaan op de, in hun ogen waardeloze suggestie: Gooi het eens over een andere boeg. Het is een voor hen, als vissers, dwaas bevel. Maar ze waren voldoende ten einde raad om er op in te gaan. Een sprong in het duister. Er wordt geloof van ons gevraagd. Pas aan de vruchten zullen we herkennen dat het de Heer is die ons roept. Laten we bidden dat we als kerk voldoende ten einde raad mogen zijn om het krampachtig ontkennen te staken en op Gods uitdaging in te gaan, Amen.