Preek 25 juli 2010, OBRECHTKERK
door pater Gregory Brenninkmeijer S.J.

Genesis 18, 20 - 32 en Lucas 11, 1 - 13: Over het Gebed.

Beste mensen,

Bij ons thuis, dierbare parochianen en gasten, baden wij iedere avond de rozenkrans. Het hele gezin op de knieën rond het H.Hartbeeld, behalve moeder. Die zat in haar grote stoel, want moeders mogen zitten. Vader knielde en bad voor. Natuurlijk hadden wij kinderen liever wat anders gedaan, en vanzelfsprekend lieten eerbied en aandacht nogal eens te wensen over. Maar het hoorde bij ons leven. Bidden hoorde bij ons leven en vader bad voor. Voor mij was, achteraf terugdenkend, het indrukwekkendst, dat ik iedere avond weer mijn vader op z’n knieen zag. Ik zag hem bidden en dat maakte van dat wonderlijke rozenkrans ritueel een heilig gebeuren. Het was op een bepaalde manier ‘god-menselijk’.

Het evangelie vertelt dat Jezus ergens aan het bidden was en de leerlingen zagen dat. Misschien was het ‘s ochtends in alle vroegte, voordat ze gingen ontbijten. Of ‘s middags, toen iedereen zo’n beetje dommelde in de warmte. Het kan ook ‘s avonds geweest zijn, dat Jezus even de stilte zocht, alleen wilde zijn, contact zocht met de Eeuwige, de Vader. De leerlingen hebben Hem zien bidden. Wat jammer dat ze ons niet vertellen wat ze precies zagen. Alleen, toen Hij ophield hadden ze maar een vraag: ‘Heer, leer ons ook bidden’. Ik stel me zo voor dat ze de eerbied hebben geproefd en tegelijk de vertrouwdheid van Jezus met zijn Vader. Misschien was er iets van een andere wereld, een andere dimensie, die Jezus omsloten hield en waar zij de heiligheid van voelden, zonder er in te kunnen delen. In ieder geval werd in hen het verlangen gewekt ook zo te kunnen bidden.

De lezingen van vandaag geven ons een aantal voorbeelden van gebed. Het magistrale verhaal van Abraham, die bidt om der wille van de mensen van Sodoma en Gomorra. Zijn neef Lot woonde daar met zijn familie en hun aanhang. Met grote vrijmoedigheid wendt Abraham zich tot God: “Zoiets kunt Ge toch niet doen, de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven!” En de Eeuwige laat zich vermurwen en zegt: “Ik zal de stad niet verwoesten, zelfs al zijn er maar tien rechtvaardigen te vinden”.

Het voorbeeld uit het evangelie is even duidelijk. Twee vrienden, waarvan de een zonder veel aarzeling de ander midden in de nacht durft lastig te vallen om hulp. En ook hij klopt niet tevergeefs aan de deur van zijn vriend. Jezus roept ons toe: “Vraagt! Klopt! Zoekt! want je zult verkrijgen, vinden, open gedaan worden.

Wat me in al deze verhalen zo opvalt is, dat bidden zo duidelijk een relatie veronderstelt. Abraham en God zijn met elkaar in gesprek. Het verhaal suggereert dat zij beiden tegenover elkaar staan. Dat de Heer gewoon staat te wachten totdat Abraham begint te vragen. Eenmaal begonnen wordt hij steeds stoutmoediger. Een gesprek, heen en weer, Abraham en God.

In het tweede verhaal staat een vriend tegenover zijn vriend. Er is duidelijk sprake van een goede relatie, goede nabuurschap. Een buitengewoon menselijk gebeuren. ‘Ik ken jou, ik mag jou, ik ben bevriend met jou. Ik ben zó vertrouwd met jou, dat ik jou iets geks mag vragen en op een ongehoord uur.

Bidden veronderstelt relatie. “Wanneer ge bidt zeg dan: ‘Vader!’ Een relatie bestaat tussen personen: Jij en ik, U en wij. U, die ik niet zien kan, die ik alleen maar voel, ervaar, vermoed. U, die roept in mijn hart, U, die mij uitdaagt en opwekt. Een leven lang zoek ik naar mijn antwoord, zoek ik naar uw aangezicht, mij tegenover.

Mensen hebben vandaag de dag vaak moeite met een persoonlijke God. Zij hebben de oude man met de baard wat lacherig achter zich gelaten. Hebben de ‘zoete Jezus’ ondergebracht bij de herinneringen aan vroeger. Weten niet hoe zij zich God persoonlijk moeten voorstellen en zoeken naar beelden. Je hoort dan praten over de ‘levensbron’ of de ‘oerenergie’, over ‘iets dat mij draagt en overstijgt’. Maar met een bron kan ik geen relatie aangaan en met een energie kan ik niet praten. Iets zal mij nooit roepen of wachten tot ik het aanspreek.

Ik vrees dat deze weerzin tegen een persoonlijke relatie, een persoon-lijke God veel oorzaken heeft. God als persoon is verworden tot de caricatuur van de despoot, de angstaanjagende, majesteitelijke rechter. Machtsmisbruik tot in de Godheid. Maar ik voel er ook een angst in voor relaties zelf, of zeker voor relaties die ingrijpen in mijn leven. Bindingsangst is onze tijd niet vreemd. Maar de God van de Bijbel is een persoonlijke God, die enkel uit is op heil. Hij zit te wachten op het bidden van Abraham en laat bijna met zich spelen. Hij verhoort iedere bede. Volgens mij moet God tegenwoordig nog al eens lang wachten tot wij ons tot Hem richten. Het water moet wel aan de lippen staan.

Een relatie vraagt er om onderhouden te worden. Ik zal in mijn relatie moeten investeren wil ze zich verdiepen, rijker, betekenisvoller worden. Ik moet de ander opzoeken, want uit het oog is uit het hart. God leer je alleen maar beter kennen door meer met Hem om te gaan, Hem steeds weer te zoeken. Hij wil oneindig veel voor je betekenen. Enkel heil staat Hem voor ogen. Hoe meer ik Hem zoek, des te meer zal Hij mij doen delen in Zijn Heilige Geest, Amen.